Christelijke cultuurgeschiedenis
Het onderzoek van C. A. Veelenturf moet gezien worden in het licht van een
bepaalde opvatting van de kunstgeschiedenis. Een betere term in dit verband
lijkt ‘christelijke cultuurgeschiedenis’ te zijn, waarin de
onderzoeksmethoden van de kunstgeschiedenis niettemin vooropstaan.
Het culturele erfgoed van het christendom is in talloze opzichten rijk geschakeerd. In het algemeen mogen wij stellen dat de materiële christelijke cultuur een bestaansgrond vindt op het geestelijk niveau van de gemeenschap van gelovigen. Met name de eredienst heeft aangezet tot het bouwen van godshuizen en tot het vervaardigen van voorwerpen. De ideële inhoud en context van dergelijke objecten is bepalend voor hun betekenis en functioneren. Waar in nieuwere tijden een wildgroei in de materiële christelijke cultuur aanwijsbaar is, waardoor het directe verband met theologie en liturgie diffuus geworden lijkt of zelfs ondergeschikt gemaakt aan kunstvervaardiging om de kunst, is dit functionele verband in de vroegste fasen van het christendom duidelijk herkenbaar als wezenlijk. We spreken dan over de laat-antieke en vroeg-middeleeuwse perioden.
Heel modern eigenlijk wegens het ‘interdisciplinaire’ karakter ervan, behoort de studie van vroege religieuze architectuur en kunst en de daarmee samenhangende liturgie en theologie tot de vroeg- of oud-christelijke kunstgeschiedenis. Met de al te beperkte benaming ‘kunstgeschiedenis’ zullen we moeten leven.
Hoe dienen wij tegen de christelijke kunstgeschiedenis aan te kijken, wat kunnen we daarvan het ‘wezen’ noemen? Een der grootste Nederlandse autoriteiten op dit gebied, prof. dr Frits van der Meer, formuleerde het aldus:
Het christendom schijnt enkel inhoud te scheppen, en uit voorhanden vormen te kiezen. De geschiedenis der christelijke monumenten wordt aldus minder een kunstgeschiedenis voor morfologen dan wel een geschiedenis van inhouden, van thema’s van heilige voorstellingen: een geschiedenis van de christelijke gedachte.1
Ziehier in een notedop een omschrijving van de kern van de christelijke kunstgeschiedenis. Als wij dan beogen de wortels van onze inheemse christelijke beschaving bloot te leggen en daarbij hun (niet alleen geografische) herkomst te achterhalen, dan laat het bovenstaande citaat zich als volgt toespitsen. De beeldinhoud van christelijke kunstwerken, het meest pregnant in figuratieve voorstellingen, heeft een universele verstaanbaarheid, maar daarnaast zijn er regionale of aan perioden gebonden variaties. Deze laatste worden met de algemeen verstaanbare aspecten in de transmissie van kunstmotieven mede overgebracht en dragen zodoende bij aan het repertoire van motieven en thema’s die in een bepaald gebied of land eigen worden.
1 F. van der Meer, Christus’ oudste gewaad: over de oorspronkelijkheid van de oudchristelijke kunst, Bronnen van de Europese cultuur 1, Baarn 19892 [eerste druk 1949], 125.
Vroege christelijke cultuur in Noordwest-Europa
De wortels van de Nederlandse beschaving hebben
een complexe herkomst. Uiteraard is het christendom te
onzent schatplichtig aan de mediterrane cultuur. We hoeven slechts de naam Rome
te noemen en we herinneren ons onmiddellijk hoe belangrijk de Romeinse en
überhaupt de Klassieke kunst voor de Nederlandse christelijke
cultuurgeschiedenis is geweest. Maar Rome was niet onze bakermat.
De beslissende kerstening van onze streken is
vooral toe te schrijven aan de Angelsaksische missionaris Clemens,
beter bekend als Sint Willibrord (657/8–739).
Hij was evenwel niet de enige die vanuit de
‘Britse Eilanden’ naar het Continent kwam om het christendom
opnieuw in te voeren of om de christenen van het Europese vasteland weer bij de
les te krijgen. Vanuit Ierland kwamen vele monniken om het christendom te
prediken of op een hoger spiritueel niveau te tillen. Tot de Ierse zending
behoorde feitelijk ook de missie van Willibrord: als
zovele van zijn Engelse landgenoten had hij in Ierland gestudeerd, en wel
twaalf jaren lang, zodat wij zijn arbeid in onze streken mogen beschouwen als
een produkt van de vroege Ierse spiritualiteit.
Naast de invloed vanuit Ierland en het Britse
zustereiland kunnen we gedurende de Middeleeuwen invloed vanuit Scandinavië
bespeuren. Vaak was deze negatief: vikingen kwamen hier om te plunderen en te
brandschatten. Anderzijds hebben ook de vikingen,
vanaf de tiende eeuw officieel tot het christendom overgegaan, in de
Nederlanden hun cultuursporen achtergelaten, net als natuurlijk in Ierland en
Groot-Brittannië. Het is daarom geen onjuiste constatering dat, naast de
Klassieke invloed vanuit het zuiden, westelijke insulaire en noordse invloeden
naspeurbaar zijn.
Voor een beter begrip van de inculturatie van vreemde invloeden zijn kennis van en
inzicht in de buitenlandse ‘bronculturen’ onontbeerlijk. De
materiële aspecten van de vroege insulaire en noordse culturen zijn binnen de
Nederlandse mediëvistiek geen object van onderzoek. Evenwel
neemt de belangstelling voor het vroeg-christelijke
of vroeg-middeleeuwse Ierland steeds meer toe. Werd
vanouds het rijke literaire erfgoed van Ierland al bestudeerd door keltologen en neerlandici, tegenwoordig vormt ook de sterk
religieus gekleurde Ierse geschiedenis, met inbegrip van de vroomheidshistorie,
een aantrekkelijk werkveld voor Nederlanders. Voor hen alle vormen met name de insulaire handschriften belangrijk
bronmateriaal, waarvan de verluchte manuscripten ook wijder bekend zijn
geworden. Onze kunsthistorici-mediëvisten hebben
echter tot op heden meestal nagelaten die prachthandschriften en überhaupt de
middeleeuwse Ierse kunst bij hun onderzoekingen te betrekken, waardoor de
interdisciplinariteit van de ‘Ierse studies’ nog niet op sterkte is
gekomen. De middeleeuwse Ierse kunstwerken, die meestal een religieuze of
kerkelijke context kennen, zouden meer met onze ‘eigen’
continentale kunstgeschiedenis te maken kunnen hebben dan misschien wordt vermoed.
Wat de noordse christelijke cultuur betreft,
moeten we opmerken dat sinds de teloorgang van de Oudgermanistiek
in Nederland (tot aan de jaren 1960 een bloeiend en internationaal gewaardeerd
vakgebied in ons land, met geleerden van wereldfaam als A. G. van Hamel en Jan
de Vries) de studie daarvan feitelijk nauwelijks nog bestaat. Alleen in de
archeologie wordt soms, door vondstmateriaal noodgedwongen, aan de
vikingcultuur aandacht geschonken.
Het materiaal voor onderzoek (en
onderwijs)
De artefacten die de insulaire en noordse culturen ons hebben nagelaten, zijn
in velerlei categorieën onder te brengen. Het materiaal reikt van meer dan
manshoge stenen sculpturen tot uiterst kleine voorwerpen in edelmetaal, van hout , been en ivoorsnijwerk tot manuscripten met hun
teksten en verluchting. Ons beperkend tot de objecten met een christelijke
connotatie, kunnen we ze rangschikken onder de noemers van borstkruisen,
crucifixen, houten en stenen kruisen met diverse en vaak nog onbekende
functies, liturgisch vaatwerk, andere kerkelijke decoraties in edelmetaal,
wandschilderingen in kerken, kledingdecoratie in edelmetaal, religieuze
(kerkelijke) handschriften, boekbeslag en de daarmee samenhangende proefstukken
en aanverwante voorwerpen.
Ook bij het grotere publiek zijn
verschillende objecten uit de hierboven genoemde categorieën bekend geworden.
We noemen slechts het Ierse evangeliehandschrift het Book
of Kells, de hoogkruisen van Monasterboice
en Clonmacnois in Ierland, de raadselachtige Pictische symboolstenen in Schotland, de Ierse
schatvondsten met liturgisch vaatwerk in Ardagh en Derrynaflan, de Deense kersteningssteen
van koning Harald Blauwtand in Jelling,
de Byzantijns geïnspireerde wandschilderingen in de kerken van Gotland en Sjælland, het op
panelen afgebeelde Laatste Oordeel uit Flatatunga op
IJsland, het Åby-crucifix uit Jutland, het
walrusivoren Gunhild-kruis uit Denemarken, de gouden
altaren van Sindbjerg, Ølst
en Tvenstrup (oorspronkelijk Odder),
etc. etc.
Het ‘internationale’ verkeer was
ook in de vroege Middeleeuwen intensief. Daarom vinden wij Byzantijnse invloed
tot op IJsland, vikingartefacten en -invloed van Ierland tot in Frankrijk,
insulaire fenomenen tot in het hart van de westerse christenheid. De relevantie
van de bestudering van de noordse en insulaire cultuur voor ons inheems
christelijke erfgoed laat zich kortweg adstrueren aan de hand van de beroemde
fibula uit Dorestad (Wijk bij Duurstede).
Deze luxueuze kledingspeld werd in 1969 gevonden. Hij zou uit de tweede helft
van de achtste eeuw stammen en in onze streken zijn vervaardigd. De bijna
‘abstracte’ decoratie van deze fibula kan in stilistisch opzicht
met Scandinavische en insulaire objecten in verband worden gebracht. Echter
alleen dankzij de naspeuringen van Elbern naar de
betekenis van vooral insulair ‘nonfiguratief’
materiaal2 kon door Van Es gewezen worden op de kosmologische en
eschatologische connotaties en zelfs betekenissen die deze fibula aankleven.3 Dit in
Nederland gevonden object kreeg dus via de insulaire kunst zijn betekenis
terug.
2 Beroemd werd de duiding van een nonfiguratieve
miniatuur in een Iers handschrift: Victor H. Elbern, “Die Dreifaltigkeitsminiatur
im Book of Durrow”, in: Wallraf-Richartz
Jahrbuch: Westdeutsches Jahrbuch für Kunstgeschichte
17 (1955) 7–42.
3 W. A. van Es, “La
grande fibule de Dorestad”,
in: J. S. Boersma et alii
(eds), Festoen: opgedragen aan A. N. Zadoks Josephus Jitta bij haar zeventigste verjaardag, Scripta archaeologica Groningana 6, Groningen-Bussum
[1976], 249–266: 261–264.
Programma en planning
Voortbouwend op eerdere publikaties over de
religieuze iconografie van Ierse hoogkruisen, wordt gewerkt aan onderzoek naar
diverse thema’s en onderwerpen in diezelfde voorstellingswereld. Naast
het onderzoek naar de betekenis in de tijd van vervaardiging wordt mede
getracht te duiden wat het begrip van deze vroeg-middeleeuwse
kunst kan bijdragen aan het verstaan van ook de moderne kunst. Een belangrijk
element daarin is de studie van nonfiguratieve
decoratie die als christelijke betekenisdrager moet worden gezien.
Tot en met het jaar 2004 zijn onderzoek en publikatieverplichtingen ingevuld. Afhankelijk van de
ontwikkelingen in het onderzoek zullen voor de projectperiode nieuwe doelen uit
de reeds bestaande groslijst worden gekozen of daaraan
worden toegevoegd.
Samenvattend geformuleerd richt het bij ‘Christelijk cultureel
erfgoed’ ingebrachte onderzoek ‘Vroege christelijke cultuur in
Noordwest-Europa’ zich op de volgende, samenhangende thematieken:
• religieuze iconografie in de vroeg-middeleeuwse
sculptuur van Ierland;
• nonfiguratieve
decoratie als iconografische betekenisdrager, met name insulair en noords;
• wisselwerkingen in de insulaire, noordse en continentale (mediterrrane, ‘Nederlandse’) vroeg-middeleeuwse kunst: de transmissie van christelijke
voorstellingen en hun betekenis.
Ook in het onderwijs aan studenten wordt getracht aan deze thematieken aandacht te
schenken. Een relatief grote belangstelling bij onze studenten kunstgeschiedenis
voor de insulaire kunst is aanwezig. Voorstellen en vragen met betrekking tot
werkstukken, doctoraalscripties en dissertaties met onderwerpen op de hierboven
beschreven gebieden worden graag verwelkomd.
Copyright ©
2001–2008 C. A. Veelenturf
Deze webstekpagina’s zijn veranderlijk.
Datum van laatste wijziging: 11–8–2008